Lettergrootte - +
Contrast - +

Discriminatie onderdeel van onderwijswetgeving en WGBH/cz

Discriminatie op grond van handicap is onderdeel van wetgeving die eigenlijk discriminatie behoort te verbieden. Die conclusie trekken mr. drs. J.H. Kruseman en Prof. mr. C.J. Forder. Zij maakten een juridische analyse van het VN Verdrag rechten van personen met een handicap (VRPH) en de Nederlandse wetgeving.

De analyse van Kruseman en Forder focust op artikel 24 VRPH. Artikel 24 VRPH codificeert het recht op onderwijs als een recht op inclusief onderwijs. Onder inclusief onderwijs moet daarbij een onderwijssysteem verstaan worden waarin de behoeften van alle leerlingen en studenten centraal staan en waarin geen groepen mensen uitgesloten mogen worden van het reguliere onderwijssysteem. De erkenning van de menselijke waardigheid en waarde van een ieder staat hierbij centraal. Die erkenning gaat hand in hand met de erkenning dat een ieder drager van rechten is, waarbij het hebben van een handicap geen grond is voor het maken van onderscheid.

Dat uitgangspunt is met de totstandkoming van het VRPH nu positief recht geworden, ook in Nederland, schrijven Kruseman en Forder. Wat de consequentie hiervan is voor het recht op onderwijs en het onderwijs in Nederland, beschrijven zij in hun studie getiteld ‘mijn, jouw of onze school’.

Kruseman en Forder beschrijven hoe het Nederlandse onderwijssysteem nog ver af staat van inclusie. omdat het een systeem van aparte speciale scholen in stand houdt. De segregatie is onderdeel van de onderwijswetten en zelfs van de Wet gelijke behandeling van mensen met een handicap en chronische ziekte wetgeving. De WGBH/CZ houdt de geïnstitutionaliseerde segregatie van mensen met een handicap in stand door specifieke faciliteiten zoals het speciaal onderwijs van het discriminatieverbod uit te zonderen. Deze uitzonderingsgrond op het discriminatieverbod staat haaks op de raison d’être van het VRPH dat gebaseerd is op autonomie, inclusie en participatie.

Het rapport van Kruseman en Forder bevat op de eerste plaats een gedetailleerde analyse van het recht op onderwijs zoals in artikel 24 VRPH wordt gewaarborgd. Daartoe wordt in hoofdstuk 1 de positie van het recht op onderwijs in het internationale recht onderzocht en het proces van totstandkoming van artikel 24 VRPH beschreven. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het begrip ‘inclusie’ in de context van het onderwijs en wordt aangegeven hoe op grond van artikel 24 VRPH inclusie door de lidstaten gestalte dient te worden gegeven.

In de daarop volgende hoofdstukken worden de kernrechten die aan het VRPH en aan artikel 24 VRPH in het bijzonder ten grondslag liggen achtereenvolgens uiteengezet. Met kernrechten wordt bedoeld de gangbare fundamentele juridische beginselen die in het VRPH een eigen invulling of aanvulling hebben gekregen: het gelijkheidsbeginsel (hoofdstuk 3), het discriminatieverbod (hoofdstuk 4), de redelijke aanpassing (hoofdstuk 5) en het recht op toegankelijkheid (hoofdstuk 6).

De studie gaat vervolgens na in hoeverre de Nederlandse wetgeving voldoet aan de eisen van artikel 24 VRPH zoals deze uiteen zijn gezet in het eerste deel. Volgens beide onderzoekers is de kloof tussen de op segregatie gebaseerde Nederlandse wetgeving en de inclusiviteitsgedachte in het VRPH is groot.

Bij de vraag of leerlingen met een beperking toegelaten kunnen worden tot een school (regulier of speciaal) , speelt in Nederland het begrip ‘ redelijke aanpassing’ een belangrijke rol. Een leerling kan worden toegelaten als de gevraagde aanpassing ‘redelijk’ is en de school niet teveel belast. Volgens het gelijkheidsbeginsel van het VRPH kan inclusie niet worden bereikt door een redelijke aanpassing in het individuele geval te bieden. Inclusie wordt bereikt door op structurele wijze maatregelen te nemen – en dus zonder dat er telkens daarvoor een aanvraag moet worden gedaan - waarmee daadwerkelijke gelijkheid zoals bedoeld door het VRPH gerealiseerd kan worden.

In artikel 24 VRPH zijn deze maatregelen om inclusie te bereiken niet limitatief opgesomd. Kruseman en Forder concluderen in elk geval dat de maatregelen die in het kader van de Wet passend onderwijs genomen worden om mensen met een handicap toegang tot het regulier onderwijs te verlenen te kort schieten.

De Staat is niet alleen verplicht tot het nemen van maatregelen die het onderwijs daadwerkelijk inclusief maken maar ook tot het nemen van maatregelen die het onderwijs toegankelijk maken zoals gebouwen en lesmateriaal. Daaromtrent ontbreken duidelijk geformuleerde standaarden in de Nederlandse wetgeving.

Download hier het rapport

Leave a comment

You are commenting as guest.