Implementatie recht op inclusief onderwijs

Het VN-Comité dat toeziet op de naleving van het VN-Mensenrechtenverdrag handicap (IVRPH) publiceerde eind 2016 een bepalende toelichting op artikel 24, het recht op inclusief onderwijs. Zie General Comment number 4 on the right to inclusive education.

Dit is deel vier en tevens het laatste deel in de serie over deze toelichting bij de implementatie van artikel 24 en gaat in op de maatregelen van de Nederlandse Staat die sinds 14 juli 2016 het VN-Mensenrechtenverdrag handicap heeft geratificeerd.

Beginselen VN-Mensenrechtenverdrag handicap

De implementatie van het recht op inclusief onderwijs zou volgens het Comité moeten vallen onder de verantwoordelijkheid van het onderwijsministerie van de Staten verenigt in de Verenigde Naties. In Nederland is dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen. De overheid moet naast het verantwoordelijke ministerie ook andere ministeries betrekken bij het realiseren van inclusief onderwijs. Daarnaast moet zij ook samenwerking met lokale autoriteiten, maatschappelijke organisaties, studentenorganisaties, lerarenopleidingen, universiteiten, media en dienstverleners stimuleren.

In paragraaf 5 van de toelichting geeft het VN-Comité een belangrijke aanwijzing die voor de hele implementatie relevant is. Zij stelt hier dat alle maatregelen die Staten moeten voldoen aan de algemene beginselen van het VN-Mensenrechtenverdrag handicap zoals vastgelegd in artikel 3. Dit geldt zowel voor het proces als voor de uitkomsten van de ontwikkeling van een inclusief onderwijssysteem.

Artikel 3 bevat de volgende beginselen:
a. Respect voor de waardigheid en persoonlijke autonomie.
b. Non-discriminatie.
c. Volledige en daadwerkelijke participatie en opname in de samenleving.
d. Respect voor verschillen en aanvaarding dat personen met een handicap deel uitmaken van de menselijke diversiteit.
e. Gelijke kansen.
f. Toegankelijkheid.
g. Gelijkheid van man en vrouw.
h. Respect voor de ontwikkelende capaciteiten van kinderen met een handicap en eerbiediging van het behoud van hun eigen identiteit.

Rechten gerelateerd en afhankelijk van elkaar

Wat tevens van groot belang is bij de uitvoering van inclusief onderwijs is het inzicht dat de verschillende rechten in het Verdrag gerelateerd zijn en dus afhankelijk zijn van elkaar. Onderwijs is een wezenlijk deel van de volledige realisatie van andere mensenrechtenverdragen. Omgekeerd kan het recht op inclusief onderwijs alleen gerealiseerd worden als bepaalde andere rechten geïmplementeerd zijn. Denk naast de hierboven genoemde beginselen aan het belang van het kind in alle maatregelen (artikel 7), het belang van maatregelen om vooroordelen en stereotypen over mensen met een handicap aan te vechten (artikel 8), het belang om de rol van onderwijs aan te kunnen wenden naar de eigen voorkeur en bekwaamheid (artikel 12), het belang van het recht om in de samenleving te wonen en te participeren (artikel 19), het belang van zelfstandige persoonlijke mobiliteit (artikel 20) en het belang van ondersteuning en zorg op maat om volledig in onderwijs mee te doen (artikel 25).

Maatregelen voor implementatie

Overheden zouden op alle niveaus wet- en regelgeving moeten opstellen en uitvoeren ontwikkelt vanuit een mensenrechtenmodel gericht op personen met een handicap. De Rijksoverheid is volgens artikel 4, lid 5 verplicht om te zorgen voor implementatie van artikel 24 in het hele land.
Overheden zouden een volledig plan voor wetgeving en beleid voor inclusief onderwijs moeten opstellen met hierin meetbare doelen, een tijdpad voor uitvoering en sancties in geval van schendingen. Het plan legt de verantwoordelijkheden van de verschillende overheden vast en agendeert de onderwerpen flexibiliteit, diversiteit en gelijkheid in alle onderwijsinstellingen. Participatie staat hierbij centraal: het plan van aanpak voor inclusief onderwijs moet in goed overleg met organisaties van mensen met een beperking ontwikkeld worden.

Als cruciale elementen voor dit plan benoemt het VN-Comité onder andere:

1. Goede voorbeelden van inclusief onderwijs zijn cruciaal voor de hervorming van het onderwijs, simpelweg een extra programma starten volstaat niet.
2. De rechten en plichten ten aanzien van inclusief onderwijs moet in wetgeving worden vastgelegd.
3. Mogelijke bepalingen in wetgeving die categorieën leerlingen als niet-leerbaar bestempelen moeten ingetrokken worden.
4. Leerlingen met en zonder handicap hebben dezelfde garantie op het recht op toegang tot inclusieve leerkansen binnen het reguliere onderwijs.
5. Alle nieuwe scholen moeten volgens toegankelijkheidsstandaarden van ‘Universal Design’ ontworpen en gebouwd worden.
6. Alle bestaande scholen zijn verplicht in een tijdpad vast te stellen wanneer deze aangepast wordt (toelichting nummer 2, artikel 9 toegankelijkheid).
7. Introductie van kwaliteitsstandaarden voor inclusief onderwijs en een monitor met structurele-, proces- en resultaatindicatoren om de voortgang van implementatie op alle niveaus te volgen en hiermee te verzekeren dat beleid en programma’s uitgevoerd worden met de noodzakelijke investeringen.
8. Erkenning van de noodzaak van redelijke aanpassingen - gebaseerd op mensenrechtenstandaarden - om inclusie te ondersteunen. In combinatie met sancties als redelijke aanpassingen niet geboden worden.
9. Alle wetgeving die mogelijk invloed heeft op inclusief onderwijs moet inclusie als concreet doel stellen
10. Lokale overheden hebben de plicht om voorzieningen te treffen voor alle leerlingen, inclusief leerlingen met een handicap in inclusieve scholen en klassen.

De rijksoverheid moet geschikte uitgesplitste data verzamelen om beleid, plannen en programma’s te ontwikkelen om inclusief onderwijs te implementeren.
De rijksoverheid moet een onafhankelijk, effectief, toegankelijk, transparant, veilig en afdwingbaar klachtmechanisme in het leven roepen, compleet met rechtsmiddelen in het geval van schendingen van het recht op inclusief onderwijs.
De overheid moet zorgdragen, in samenwerking met organisaties van mensen met een handicap, voor het verspreiden en publiceren van informatie over het recht op inclusief onderwijs en over wat te doen als dat recht ontkent of geschonden wordt.
Inclusief onderwijs is onverenigbaar met institutionalisering. De rijksoverheid moet aan de slag met een goed gepland en gestructureerd plan voor de-institutionalisering.
De rijksoverheid moet toegang tot interventies, zorg en voorschoolse activiteiten verzekeren, evenals ondersteuning en training voor ouders en verzorgers van jonge kinderen met een handicap.
De rijksoverheid moet voor de transformatie van het onderwijssysteem voldoende financiële en menselijke middelen toewijzen om de implementatie van inclusief onderwijs te steunen.
Het VN-Comité roept overheden op om de middelen in gesegregeerde systemen over te hevelen naar inclusieve systemen.
Alle docenten in voorschool, primair, secundair, tertiair en beroepsonderwijs moeten opgeleid worden in de noodzakelijke kerncompetenties om in een inclusieve school te werken.
Inclusief onderwijs vraagt om de beschikbaarheid van een steun- en kennisstructuur voor leraren uit alle onderwijsniveaus.
Autoriteiten op alle niveaus moeten training krijgen over hun verantwoordelijkheden voor het realiseren van inclusief onderwijs en voorzien worden van kennis en begrip van (inter)nationale wetgeving rondom de rechten van mensen met een handicap. De rijksoverheid is hierin verantwoordelijk.

Deze toelichting bij de implementatie van artikel 24 van het VN-Comité biedt concrete handvatten voor de Nederlandse Staat voor een transformatie naar inclusief onderwijs.

Dit is deel 4 in een vierdelige serie over het recht op inclusief onderwijs volgens het IVRPH. Lees ook: deel 1. Over de achtergrond van het Verdrag, deel 2. Recht op inclusief onderwijs: de norm en deel 3 Recht op inclusief onderwijs: verplichtingen overheid